Een paar jaar geleden zou ik alles wat met God te maken had met ‘onzin’
afgedaan hebben. God kwam alleen voor als ik me onbeholpen in krachttermen moest
uitdrukken, me aan de kachel brandde, iets vergeten was of iets mooi vond. Dit
was niks bijzonders, want b.v. de meest doorgewinterde westerse boeddhist deed
dat ook.
Voor mij was aan iedereen die openlijk in God geloofde een steekje los of stond
niet echt met z’n benen op de grond. Deze gedachte werd versterkt door van jongs
af aan te horen over een vreemde oom van me, die met God dweepte en de hele
familie zei lachend dat hij het licht gezien had.
Het is ook heel anders geweest, namelijk toen ik jong was. Ik kan mij ervaringen
herinneren dat God dicht om me heen voelde. Toen ik op de christelijke lagere
school ging, kon ik intens genieten van de verhalen uit de bijbel die het hoofd
van de school vertelde. Deze man kon daarbij zo mooi op z’n viool spelen dat ik
vioolles bij hem kreeg en in de klanken het goddelijke ervoer. De man bracht me
in contact met muziek die zo mooi was dat ze van een andere wereld leek te
komen. Iedere keer als hij speelde werd er midden op m’n voorhoofd een plekje zo
warm dat het uren kon blijven nagloeien. Ik voelde dan intense liefde die veel
groter was dan de plek waarin ik het ervoer. Ik heb daar nooit over verteld want
ik dacht er de aansluiting niet voor te vinden.
M’n vader was in z’n jeugd zo intensief ondergedompeld in kerk en religie dat
hij me zeker niet stimuleerde in die richting. Ook was het zeker niet ‘in’ om je
met God op te houden dus probeerde ik de herinneringen weg te drukken als ze
zich dreigden voor te doen. Steeds meer zag ik toen dat mensen in God geloofden
uit angst voor de dood. Ik was van mening dat angst voortkwam omdat je je
hersens niet gebruikte en je je maar emotioneel liet meeslepen door je gevoel.
In angst werden mensen doetjes en ik ergerde me daaraan. De enige die echt bang
was, was ik misschien zelf wel en overschreeuwde het met intelligent doen. Nog
niet zo lang geleden ontdekte ik dat ik zelf de maker ben van de gedachten die
door m’n hoofd spoken en dat ik ze zelf kan kiezen. Ik weet nu dat slechts m’n
gedachten me vast kunnen houden en dat andere gedachten me weer kunnen
bevrijden. Nooit had ik beseft dat m’n beslissingen slechts gestuurd werden door
m’n ego dat alleen handelt uit angst. M’n ziel is de andere adviseur die in z’n
verbondenheid met God rustig blijft adviseren ook al doe ik m’n best niet te
luisteren.
M’n beeld van deze wereld was vervuld met angst ook al beweerde ik het
tegendeel. Door dislectie kon ik moeilijk lezen en schrijven en gezien het
‘betere’ milieu waar ik uit kwam, maakte ik met mooie verhalen de achterstand
zoveel mogelijk goed en ook daarmee groeide m’n angst dat ik op een dag
ontmaskerd zou worden. M’n succes in deze wereld maakte het niet goed en er
bleef een pijnlijk besef van de zinloosheid van die camouflage en de
kleinschaligheid van dit leven. Ik wist dat er meer moest zijn in het leven dan
ik ervoer. Ik voelde de wereld steeds meer als een bedreiging en probeerde me
tegenover iedereen te verdedigen en wist dat dit een onmogelijke taak was. Alles
wat m’n ego me voorstelde leek het enig mogelijke en daarom waar. Tenslotte zie
ik dat de beelden die m’n ego me ingeeft, valse plaatjes zijn van een wereld met
mijn eigen plaats daarin. M’n ego probeert me te verkopen dat ik een mens ben
die slechts gebonden is door z’n lichaam en z’n persoonlijkheid in tijd en
ruimte.
Als ik het over m’n ego heb, gebruik ik het woord ego op een andere manier als
gebruikelijk is. Het is voor mij een deel dat me probeert een onjuist beeld voor
te schotelen. Het ego geeft me in, dat ik moet knokken voor m’n bestaan. Dat er
niet voor me gezorgd wordt. Dat ik het allemaal zelf moet doen. Dat ik niet
verbonden ben met hogere dimensies, maar gewoon alleen met m’n lichaam. M’n
voornemens om minder naar m’n ego te luisteren worden me soms ter plaatse uit
handen genomen door een ingeving van m’n ego. Dit gaat zo flitsend snel dat het
al gebeurt is voor ik het in de gaten heb.
Door steeds maar te verdringen en te ontkennen hield ik de waarheid voor mezelf
verborgen. M’n ego zorgde voor chaos en zeer druk zijn waardoor ik veel
adrenaline produceerde wat me deed denken dat de wereld steeds tegen me was en
me wilde aanvallen. Ik nam de plaats van God in door ieder te oordelen, te
veranderen, te beheersen en te manipuleren. Het liefst maakte ik mensen naar m’n
eigen beeld en in arrogantie bepaalde ik wie m’n aandacht waard was en wie niet.
Door op deze manier te leven heb ik heel wat leed om me heen veroorzaakt en
waardevolle mensen ogenschijnlijk verloren. Met m’n verleden bewees ik de
toekomst en zo bleef het ego de baas.
Tien jaar geleden bracht m’n buurman me op het spoor van het boek: ”A course in
Miracles”, een cursus in wonderen. De titel alleen al was genoeg om het boek
jaren lang slechts m’n boekenkast te laten versieren. Er in lezen was heel
lastig door het moeilijke Engels en in de uitgave die ik had stond niet eens wie
het geschreven had. In de bergen naast Sacarest is een boeddhistisch
stiltecentrum ontstaan. Een paar jaar geleden ben ik begonnen met daar twee
weken alleen in een hut tussen de bergen te zijn, zonder iemand te zien en vlak
voor ik met m’n rugzak m’n huis in El Bloque uit liep, werd ik aangetrokken door
dat boek. Daar in de bergen ben ik door sommige teksten zo diep geraakt, dat ik
van ontroering huilde. M’n egowereld zakte daar toen in elkaar en ik werd me
bewust van een verbinding met alles om me heen, een verbinding met God. Oude
verkrampte pijn begon weer te stromen. Iedere dag voelde ik me zachter worden.
Zelfs een simpele vlieg werd daar m’n dierbaarste kameraad. In het alleen zijn
verliest het ego z ’n voeding en komt de ondergesneeuwde ziel weer aan het
licht. Het is een van de zwaarste beproevingen die ik ken, twee weken alleen met
mezelf. Vorige maand toen ik weer een paar weken allen in de verstilde
boeddhistische vallei was, ontstond het idee en de moed voor dit verhaal. Daar
ging het lezen in de ‘cursus in wonderen’ me makkelijker af dan ooit tevoren en
even leek het of ik dit inzicht nooit meer zou verliezen. Op de terugweg naar
huis kwam ik in ‘mijn’ prachtige bergen twee verdwaalde discogangers uit
Benidorm tegen en als een razende gingen de veroordelingen weer door m’n hoofd.
Het inzicht was er nog, maar het ego was weer in volle hevigheid bezig de macht
terug te winnen.
Het leert me hoeveel moeite het kost m’n denken te genezen want het is daar waar
m’n wereld vergaat, waar m’n vervuiling plaats vindt, waar m’n leed geleden
wordt, niet alleen mijn leed. Het genezen van m’n denken houdt in dat ik m’n
denken zo soepel wil maken, dat ik niet overal meer tegen in hoef te gaan om te
voelen dat ik besta.
Dolf in ’t Veld